Elke dag studeren houd je vol als je het klein en voorspelbaar maakt: een vast moment, een vaste plek en een sessie van 25 minuten waar je op een slechte dag ook aan toekomt. Motivatie komt en gaat, een routine blijft. Vink elke dag af en bepaal vooraf wat je doet als het een keer misgaat.
Waarom motivatie het niet redt
Op de avond voor een toets studeer je bijna altijd. Het gaat om de weken ervoor, wanneer de toets nog ver weg lijkt en alles leuker is dan je schrift. Wie wacht tot hij zin heeft, begint te laat of te weinig. Dat is geen karakterfout. Het komt doordat het begin van studeren moeite kost, en die moeite weegt zwaarder naarmate je moe bent of er iets anders lonkt. Een routine neemt die beslissing weg. Als je elke dag op hetzelfde moment aan hetzelfde bureau zit, hoef je niet meer te bepalen of je gaat studeren, alleen waaraan. Dat scheelt energie, en energie is wat je voor een leerplan het hardst nodig hebt.
Kies een vast moment en een vaste plek
Zoek het moment dat het best past bij je dag, niet bij het ideale plaatje. Voor de een is dat direct na schooltijd, voor de ander na het avondeten of in de ochtend voor de lessen. Zet het in je agenda als een afspraak en koppel het aan iets wat je toch al doet: na het avondeten ruim ik af, daarna ga ik zitten. De plek telt ook mee. Een bureau, een tafel in de bibliotheek of een vaste hoek aan de eettafel werkt beter dan wisselen. Leg je materiaal klaar voordat je gaat eten, dan kost beginnen minder moeite. En zet je telefoon in een andere kamer; een telefoon die zichtbaar op tafel ligt, trekt aandacht, ook als hij niet trilt.
Werk in korte sessies
Een sessie van 25 minuten, gevolgd door vijf minuten pauze, is een bekende manier om te beginnen. Het werkt omdat 25 minuten haalbaar voelt. Je hoeft niet een heel hoofdstuk te leren, alleen tot de timer afgaat. Na vier sessies neem je een langere pauze. Begin in de eerste week met één sessie per dag. Voeg er pas een toe als dat vanzelf gaat. Wie op dag één meteen drie uur wil studeren, haalt dat een paar dagen en stopt dan. Een gewoonte ontstaat door vaak herhalen, niet door een heldhaftige eerste week.
Bepaal vooraf wat je doet op een slechte dag
Op sommige dagen gaat het niet: je bent ziek, laat thuis of leeg. Zonder plan wordt zo'n dag al snel twee dagen, en dan een week. Spreek daarom vooraf af wat de minimale versie is. Bijvoorbeeld: je opent je schrift en maakt één opgave, of je leest één alinea samenvatting. Dat duurt vijf minuten en telt toch als een gedane dag. Een als-dan-plan helpt hierbij. Onderzoek van Gollwitzer liet zien dat zulke plannen de kans vergroten dat mensen doen wat ze zich voornemen. Schrijf het op: als ik thuiskom en geen energie heb, dan maak ik één opgave voordat ik iets anders doe.
Houd bij en kijk wekelijks terug
Zet een kruisje op een kalender, of gebruik een schema, voor elke dag dat je je sessie hebt gedaan. Het kruisje is niet bedoeld om jezelf te beoordelen. Het laat zien wat je daadwerkelijk doet, en dat is vaak anders dan wat je denkt. Kijk elke zondag kort terug: welke dagen lukten, welke niet en waarom? Pas dan één ding aan, bijvoorbeeld het moment of de lengte. Wijzig niet alles tegelijk. In Daychain, de habit tracker-app die nog niet in de stores staat, doe je dit met een keten van schakels. Op papier kan het ook, met een maandschema.
Wat als je achterloopt, bijvoorbeeld voor het eindexamen?
Dan wil je het liefst alles tegelijk inhalen. Doe dat niet. Maak een lijst van wat nog moet, kies voor deze week het onderwerp dat het meeste oplevert en plan het in sessies van 25 minuten. Een lijst met bijvoorbeeld twintig sessies is overzichtelijker dan 'veel te veel leren'. Reken daarbij op de tijd die het kost om een routine te laten werken. In het bekende onderzoek van Lally en collega's lag de mediaan op 66 dagen voordat een gewoonte bijna vanzelf ging, met een grote spreiding. Heb je minder dan twee maanden, dan is de routine nog niet automatisch, maar helpt hij je alsnog. Een gemiste dag is daarbij niet erg; twee gemiste dagen achter elkaar zijn het signaal om je minimale versie te gebruiken.



